ZOÖNOSEN – ziekten bij de mens afkomstig van dieren

Ziektebeeld

Een zoönose is een infectieziekte waarbij mensen door dieren besmet worden. Zestig procent van alle bekende infectieziekten en zeventig procent van alle “nieuwe” infectieziekten zijn oorspronkelijk afkomstig van dieren. Toch kunnen mensen zoönosen soms ook op elkaar overdragen, maar als ziekten voornamelijk tussen mensen worden verspreid, heten ze geen zoönosen meer.

Contact met dieren is dus een voorwaarde voor risico en dat betekent dat mensen besmet kunnen raken als ze in hun werk in aanraking komen met dieren (boeren, dierverzorgers, dierenartsen etc.) of met producten (bloed, urine, ontlasting, vlees, huid etc.) van dieren (laboratoria, schoonmakers, rioolwerkers, vleesverwerking).

Er zijn wereldwijd meer dan 850 verschillende zoönosen bekend, waarvan er 100 in Nederland voorkomen. Ieder jaar komen er weer nieuwe bij, zeker in regio’s zoals Zuidoost-Azië waar intensief contact tussen mensen en dier bestaat. Dat is ook van belang voor reizigers naar die gebieden en bijvoorbeeld voor werknemers die in verre landen in contact komen met dieren en producten van dieren.

De klachten en verschijnselen van zoönosen is afhankelijk van de ziekteverwekker. Hieronder een aantal voor Nederland belangrijke voorbeelden van verwekkers van zoönosen met ziektebeeld

Salmonella: een bacterie die zich vooral via mest verspreidt en rauwe melk, vlees en eieren kan besmetten; veroorzaakt griepachtige verschijnselen en diarree.

Campylobacter: een bacterie die zich vooral via mest verspreidt en rauwe melk, vlees en eieren kan besmetten; veroorzaakt griepachtige verschijnselen en diarree.

Coxiella burnetii, bacterie die zich via het vruchtwater en de vliezen van (zwangere) koeien en schapen verspreidt. Soms ook via daarvan afkomstige aërosolen. Veroorzaakt Q-koorts met griepachtige verschijnselen. Is vooral gevaarlijk in de kalver- en lammertijd.

Escherichia coli O157 H7: een bacterie die zich via mest en urine verspreidt en melk, vlees en eieren kan besmetten; de symptomen zijn bloederige diaree, maar er kan ook ernstige nierschade optreden (Hamburger disease).

Brucella spp: een bacterie die de ziekte van Bang veroorzaakt (met symptomen van griep tot abcessen); risicogroepen zijn onder andere slagers, slachthuiswerkers en boeren.

Streptococcus suis: bacterie die onder andere hersenvliesontsteking en een ontsteking van het hart(zakje) kan veroorzaken.

Chlamydophyla psittaci is een bacterie die de papegaaienziekte veroorzaakt: geeft griepachtige verschijnselen en longontsteking door contact met bijzondere vogels; risicogroepen zijn dierenartsen en medewerkers van dierenwinkels.

Kattenkrabziekte: de veroorzakende bacterie (Bartonella henselae) zit in de bek en de nagels van katten en kan chronische ontstekingen van de lymfklieren (abcessen) en bloedvaten geven; een kwart van de Britse dierenartsen heeft antistoffen tegen de bacterie in het bloed; dertig procent van de Nederlandse katten draagt de bacterie bij zich.

Listeria: de bacterie Listeria monocytogenes verspreidt zich vooral via rauwe melk en daarvan gemaakte producten verspreidt. Bij listeriose treden meestal griepachtige verschijnselen op.

Toxoplasmose wordt veroorzaakt door parasiet Toxoplasma gondii en kan uiteenlopende symptomen geven van griep tot en met hersen- en leverinfectie. Besmetting treedt vooral op in nauw contact met schapen en geiten, vooral bij het lammeren.

Leptospira interrogans serovars is de oorzaak van onder andere melkerskoorts, modderkoorts en de ziekte van Weil (griep, leveraandoeningen, hersenvliesontsteking) door contact met de urine van honden en ratten.

Borrelia burgdorferi, bacterie die wordt overgebracht via teken. Borrelia is de verwekker van de ziekte van Lyme, met huidklachten en neurologische problemen.

Erysipelothrix rhusiopathiae, bacterie die bij varkens en vissen voorkomt en infecties bij slachthuispersoneel en in de visverwerkende industrie veroorzaakt (‘vlekziekte’).

 

Oorzaken

Zoönosen worden veroorzaakt door verschillende soorten ziekteverwekkers zoals bacteriën, virussen, schimmels, parasieten en prionen. Het dier hoeft zelf niet ziek te zijn, het kan de ziekteverwekker bij zich dragen.

Besmetting van de mens kan plaatsvinden via direct contact, via de lucht (spetters, aërosolen of via stofdeeltjes), via contact met lichaamsvloeistoffen (bloed, slijm, urine, ontlasting, baarmoedervocht), via indirect contact (via besmette voorwerpen, deurknoppen, instrumenten en dierproducten als wol en mest), via zogenaamde vectoren als vliegen, muggen en teken. En uiteraard kunnen infecties ontstaan na het eten van bijvoorbeeld vlees, rauwe melk(producten), eieren etc.

Diagnostiek

Dit verschilt per ziekte en ziekteverwekker. Op basis van de ziekteverschijnselen en aanvullend onderzoek (bloedonderzoek, kweken) kan de diagnose gesteld worden. Aandacht is nodig voor het optreden van nieuwe ziekteverschijnselen bij individuen of het voorkomen van vergelijkbare ziekteverschijnselen bij een groep. In de werksituatie moet bij het optreden van een ziektebeeld bij een groep werknemers met dezelfde blootstelling is het belangrijk snel op te treden om de ziekte in te dammen. Snel herkennen en behandelen van ziekten bij mens en dier kan bij sommige ziekten levens redden.

Vóórkomen

Zoönosen zijn een belangrijk beroepsrisico bij dierenwerkers. Dit is per diersoort en de mate van contact tussen mens en dier verschillend, maar er bestaan vanuit het oogpunt van mogelijke besmetting in principe geen ongevaarlijke dieren. Ook via huisdieren als honden en katten kunnen mensen ernstig ziek worden.

Risicoberoepen zijn onder meer boeren, dierverzorgers, dierenartsen, schoonmaakpersoneel, slachters, vleesverwerkers, proefdierverzorgers, medewerkers van dierenwinkels, kinderboerderijen, maneges, boswachters, houtvesters, hoveniers en rioleringswerkers, overige buitenwerkers en reizigers.

Preventie

Voor een goed overzicht van het risico op zoönosen bij bepaalde werkzaamheden is het in de eerste plaats van belang om te weten welke ziekteverwekkers kunnen voorkomen. In de tweede plaats moet gekeken worden welke besmettingswegen (overdracht, transmissie) aanwezig zijn. Het beoordelen hiervan is voor werkzaamheden met dieren lastig, onder andere omdat veel wetenschappelijk onderzoek niet gericht is op het voorkomen van ziekten en ziekteverwekkers in het werk en bij werknemers. Het Arbobesluit vraagt echter wel om een inventarisatie van gevaren én risico’s bij het (al of niet bewust) omgaan met biologische agentia. In de derde plaats is het nodig aandacht te besteden aan groepen werknemers die extra kwetsbaar zijn bij infectieziekten zoals zwangeren, mensen met verminderde afweer, chronisch zieken en gebruikers van bepaalde geneesmiddelen. Voor een dergelijke risico-inventarisatie en –evaluatie biologische risico’s is de hulp van een (arbeids)hygiënist EN een medisch deskundige vaak noodzakelijk.

Gezien de zeer ernstige gevolgen van bepaalde infectieziekten voor kwetsbare groepen is het absoluut noodzakelijk de risico’s per verzorgd dier in kaart te brengen. Bij preventieve maatregelen moet men in het werk uitgaan van het voorzorgsprincipe dat erop gericht is elk risico te voorkomen. Een van de maatregelen kan zijn om vrouwen vanaf het prilste begin van een zwangerschap niet met dieren te laten werken vanwege de infectierisico’s voor het ongeboren kind.

Wanneer voor een mogelijke ziekte een vaccinatie bestaat, moet deze door de werkgever aan de werknemers worden aangeboden.

Belangrijkste voorzorgsmaatregel is een goede algemene hygiëne en het zoveel mogelijk vermijden van intensief contact met dieren en producten van dieren.

Omdat besmetting en infecties ondanks dat toch vaak voorkomen, is voldoende kennis van belang: bij werkgever, werknemers en bij de ingehuurde arbodienst. Neem bij onbekende, alarmerende of zich verspreidende ziekteverschijnselen snel contact op met huisarts en bedrijfsarts. Dit is overigens ook van belang voor de volksgezondheid, omdat zieke werknemers ook hun omgeving kunnen besmetten.